Officiële viering van het 25-jarig bestaan van Almere

Almere 01 December 2001


Speech van dr.ir. W.M. Otto

VAN TOEKOMSTVISIE NAAR WERKELIJKHEID
Terugblik ter gelegenheid van 25 jaar Almere


Inleiding
Op 30 november 1976 kwamen de eerste inwoners Almere tot leven brengen .
Het begin van een snelle ontwikkeling . Tegelijk het einde van een lange periode van voorbereiding . Buitenstaanders denken wel eens dat een nieuwe stad even op de tekentafels van techneuten ontstaat . Een misverstand .Aan grote projecten liggen vaak idealen en lange termijn visies ten grondslag .Maar met visies bouw je geen steden .Als de tijd er rijp voor is , volgen er rapporten en nota’s .Bij voldoende politieke wil, beleid en besluiten . Pas daarná komen er projectvoorstellen en tekentafels aan te pas . Een lange weg die voor Almere óók bijna 25 jaar heeft geduurd .
Graag neem ik U nu mee op een korte zoektocht door dit verleden .We moeten daarvoor beurtelings in Den Haag en in het IJsselmeergebied zijn .

Toekomstvisies
We beginnen in de 50er jaren . Een tijd van oorlogsschade ,overstromingen , herstel , wederopbouw en woningnood . In Den Haag werd nagedacht over de toekomstige inrichting van ons land . Dat gebeurde door de Rijksdienst voor het Nationale Plan . Planologen van het eerste uur bogen zich daar over de toekomst van de hoefijzervormige Randstad Holland . Zij kwamen tot het inzicht , dat de grote en kleinere steden niet aan elkaar mochten groeien . Evenmin binnenwaarts uitbreiden in het grote open weidegebied . Het Groene Hart van Holland werd uitgevonden . Verdere groei moest daarom verlopen via een buitenwaartse spreiding en uitstraling .
Zo zou de noordvleugel van de Randstad slechts mogen uitbreiden in daartoe aan te wijzen groeisteden zoals Purmerend en Alkmaar .
Men projecteerde ook zo’n uitstraling in de richting van de Flevopolders .
Weliswaar stonden deze toen nog onder water , maar men voorzag dat dit “nieuwe land” , onder de rook van de Randstad gelegen , een functie zou moeten krijgen bij het opvangen van ruimtelijke problemen in het aangrenzende “oude land “. In die gedurfde lange termijn visie zouden daarvoor ook twee nieuwe steden moeten worden gebouwd ,op de bodem van de Zuiderzee . Het lijkt wel science fiction !

Rapporten en nota’s
Het bekende rapport “De ontwikkeling van het Westen des Lands “ verschijnt in 1958 met de resultaten van deze studies . In 1960 gevolgd door de eerste “Nota inzake de ruimtelijke ordening in Nederland “. Het kabinet neemt daarin de aanbevelingen uit het rapport Westen des Lands over .De toekomstige functie van Flevoland wordt voor het eerst onderdeel van een soort nationaal ruimtelijk beleid .Het ging nog maar om mooie woorden .

De eerste maatregelen bij de uitvoerende diensten
Wat gebeurt er inmiddels in het IJsselmeer? . In 1957 komt Oostelijk Flevoland boven water. Voorlopig nog een onbegaanbare vlakte van 54.000 ha .Vol nieuwe mogelijkheden en problemen .
De inpoldering van Zuidelijk Flevoland krijgt in 1959 voorrang boven de Markerwaard , ook om planologische redenen .Daarmee wordt al direct ingespeeld op de aanbevelingen in het
Rapport Westen des Lands .
De Oostvaardersdijk , bedoeld voor de Markerwaard ,wordt daartoe aangepast .Vreemde bochten in die dijk herinneren aan dit besluit .

Iets later , in 1961 , wordt door de Dienst der Zuiderzeewerken getracht de onuitgewerkte visie op de nieuwe functie van Flevoland te vertalen in een “Structuurplan voor de Zuidelijke IJsselmeerpolders “ .Men ziet daarop een kaartbeeld van de IJsselmeerpolders als een groot centraal gebied .Voor het eerst verschijnen daarop ook twee stedelijke gebieden .
Dit structuurplan had geen rechtskracht . Het was een schets om bij te dragen aan verdere gedachtevorming binnen een kleine groep van planologen en andere belangstellenden voor de Zuiderzeewerken .Ambtelijk en politiek Den Haag lagen er niet van wakker .

In de Noordoostpolder werd het ontwikkelingswerk afgerond en overgedragen aan de pas ingestelde nieuwe gemeente . De volgende polder , Oostelijk Flevoland , kreeg nog weinig aandacht. Toch stonden die twee steden duidelijk op de kaart van het Structuurplan .
Maar het was een kaart van de toekomst .Waarop Almere tegenover Amsterdam lag en Lelystad prachtig centraal .Door wegen en een spoorlijn verbonden met de rest van.het land .
De werkelijkheid was dat Zuidelijk Flevoland met Almere nog onderwater stond en het geprojecteerde Lelystad in een rietmoeras lag zonder achterland ,verstoken van verbindingen. Het lag niet voor de hand daar al direct te gaan bouwen .
Maar in Den Haag werd daar anders over gedacht .

Toch maar met Lelystad beginnen ?
Dat werd mij duidelijk in januari 1963 . In verband met mijn benoeming tot directeur van de RIJP bracht ik voor het eerst een bezoek aan mijn nieuwe baas ,de minister van Verkeer en Waterstaat Korthals . De vader van onze huidige minister van Justitie . Korthals benadrukte de urgentie van een spoedige uitgifte van nieuwe landbouwbedrijven in oostelijk Flevoland . Daar werd door de Tweede kamer sterk op aangedrongen . Na ons gesprek , toen ik al met de deurknop in mijn hand stond , riep de minister mij na : “O , ja , ik vergat nog even Lelystad . Wilt U er op toezien , dat daar spoedig met de bouw begonnen wordt ! “. “Zeker Excellentie” antwoordde ik ,niet gehinderd door enige kennis van zaken ,laat staan van stedenbouwkunde. Wij wisten op dat ogenblik geen van beiden waar we het over hadden .
Natuurlijk ben ik gaan uitzoeken hoe het zat met die bouw van Lelystad . Wat bleek ?

Er waren op regeringsnivo geen besluiten over de functie , omvang en groeisnelheid . Noch over de duur van de rijksverantwoordelijkheid voor de bouw .Ook geen financiele voorzieningen .
Evenmin was er een goedgekeurd stedenbouwkundig plan dat als grondslag voor de bouw zou moeten dienen .Wel al een opdracht van de minister van VenW aan prof.van Eesteren voor zo’n plan. Maar voortdurende onenigheid over zijn ontwerp in een begeleidingscommissie leidde tot een impasse in de besluitvorming .
Over toekomstige inwoners en werkgelegenheid bestonden wat vage ideeen , zoals vestiging van bedrijven en overplaatsing van rijksdiensten .Ook hierover niets concreets .
Kortom : geen beleid , geen besluiten , geen geld , geen plan en geen inwoners .

Uit dit alles bleek dat nog niemand zich er een voorstelling van had gemaakt hoe de bouw van nieuwe steden moest worden aangepakt . Er bestond daarmee in Nederland geen ervaring . Blijkbaar dacht men in die tijd , dat je alleen moest zorgen voor een mooi stedenbouwkundig plan . En als dat klaar was konden de ingenieurs met de bouw beginnen .Oostelijk Flevoland was toen net drooggevallen . Zuidelijk Flevoland kwam pas 10 jaar later . Daar wilde men niet op wachten . Vandaar het verzoek van de minister om spoedig met de bouw van Lelystad te beginnen . Mission impossible was mijn eerste indruk , althans zonder een duidelijk beleid met concrete afspraken en maatregelen . Alleen Den Haag kon daarbij helpen .

Een ontwikkelingsbeleid voor Lelystad
Inmiddels voorjaar 1965 .Het kabinet Cals aangetreden . Een gelukkige omstandigheid was , dat wij met drie besluitvaardige ministers te maken kregen . Suurhoff op VenW , Bogaers op VRO en Vondeling op Financien . Alle drie hadden ze een positieve belangstelling voor nieuwe ontwikkelingen in Flevoland .
Tot dusverre werden in de visie op de toekomst van Flevoland de twee geprojecteerde steden steeds tezamen genoemd . Lelystad zou nu dus voorrang moeten krijgen .
We hebben toen tezamen met de Rijksdienst voor het Nationale Plan een voorstel voor een apart Ontwikkelingsbeleid voor Lelystad opgesteld .Met een bescheiden taakstelling : de vestiging van 10 a 15.000 inwoners in 10 jaar. Als een eerste groeifase en onder rijksverantwoordelijkheid . Suurhoff en Bogaers namen ons voorstel over en stuurden het in september 1965 als onderdeel van de begrotingsvoorstellen naar de Tweede Kamer . Die stemde er mee in .
Minister Suurhoff maakte ook een einde aan de al jaren durende impasse rondom het
stedenbouwkundig plan . Zou nu dan met de bouw van Lelystad begonnen kunnen worden ?

Misschien vind U mijn aandacht voor die stad vreemd . We zijn toch op zoek naar het verleden van Almere . Maar voor de uitvoerende diensten liep de weg naar Almere via Lelystad .Alléén langs die weg konden we de in en outs ontdekken van het wordingsproces van een nieuwe stad in een lege polder . Die kennis en ervaring waren onmisbaar .
In Lelystad liggen de stedenbouwkundige “roots”van Almere .

Een vicieuze cirkel
We konden dus beginnen op basis van een goedgekeurd ontwikkelingsbeleid en een uitvoerbaar stedenbouwkundig plan voor de eerste groeifase .
Maar het grootste probleem bleef : Wie zullen de inwoners zijn die zich in die eerste groeifase zullen vestigen ? Lelystad zat gevangen in een vicieuze cirkel : Omdat die stad niet bestond , wilde niemand er heen , maar als er niemand heen wilde kon het moeilijk iets worden .
De mogelijkheden om deze impasse te doorbreken waren beperkt . We hebben toen een begin gemaakt met de overplaatsing van medewerkers van de RIJP en het ol-ZIJP . Ook de Flevocentrale in aanbouw kon wat inwoners leveren .Tezamen met nog wat andere instellingen en particulieren konden we net voldoende inwoners bij elkaar sprokkelen om een geloofwaardig begin te maken .

Wat voor huizen ?
Behalve met het zoeken naar inwoners moesten we de vraag beantwoorden : hoe gaan die mensen straks wonen ? Om te beginnen grotendeels huurhuizen met lage huren , een soort woningwetwoningen . In steden waren dat doorgaans hoge flatwoningen zonder centrale verwarming .Cv was toen nog pure luxe .Geen wenkend perspektief .
Wij kozen daarom voor 80% eengezinshuizen en niet meer dan 20 % flatwoningen .Alles met centrale verwarming .Onze opvatting was dat voor het welslagen van deze nieuwe stad de woonwensen van stadsbewoners een belangrijk uitgangspunt van het ontwikkelingsbeleid diende te zijn .De stedenbouwkundige wereld had weinig vertrouwen in deze aanpak . Het resultaat moesten we afwachten .
De eerst paal voor Lelystad ging in maart 1966 de grond in .Zonder ceremonieel.
Maar inmiddels waren in Den Haag belangrijke ontwikkelingen aan de gang , ook voor Almere .

De “Tweede nota over de ruimtelijk ordening in Nederland”
Het kabinet Cals presenteerde in september 1966 zijn bekende “Tweede nota over de ruimtelijke ordening in Nederland “
Voor Flevoland werden in deze nota duidelijke uitspraken gedaan , zoals :
-de stedelijke vestigingen in de Zuidelijke IJsselmeerpolders zullen een belangrijke bijdrage moeten leveren voor de overloop van ½ a 1 miljoen mensen , waarvoor in de Noordvleugel van de Randstad geen plaats is , en
-met de bouw van de IJmeersteden tegenover Het Gooi , van groot belang voor de overloop , kan omstreeks 1975 begonnen worden , en
-er wordt ook gedacht aan een spoorlijn .
Deze Tweede Nota RO verschafte in de jaren na 1966 voor ministeries en uitvoerende diensten de onmisbare beleidsbasis voor verdere voorbereidingen .

Een onverwacht succes
De bouw van de eerste nieuwe polderstad was bereids begonnen .We werden kritisch begeleid door de media .Met uitspraken als : “Het zal een spookstad worden waar geen hond naar toe te krijgen is , laat staan normale mensen “
Hoe dan ook , het lukte om op 7 november 1967 voor de eerste 100 mensen de woningen met bijbehorende voorzieningen gereed te krijgen .
Koningin Juliana kwam op die mooie herfstdag de nieuwe inwoners verwelkomen .
De kritische buitenwereld reageerde verrast .Vooral op de voortgaande stroom van nieuwe bewoners, die tevreden waren .Al snel bleek waarom .De eengezinswoningen met c.v.en tuin waren een attractie die tegen vele ongemakken opwoog .In de pers werd gesproken over het “geheime wapen “van de RIJP . De bewoners begonnen enthousiast hun nieuwe stad tot leven te brengen .Ze hadden er zin in .

Amsterdam ontdekt Flevoland , de overloop uit de Randstad begint .

Voor de verdere groei waren er al spoedig meer nieuwe bewoners dan gereedgekomen huizen beschikbaar .Gelukkig kwam na 1970 de woningbouw goed op gang . Ook een andere gunstige ontwikkeling begon zich af te tekenen . In de zomer van 1969 kwam de Hollandse brug bij Muiderberg gereed . Een feit van belang . Flevoland kreeg hiermee zijn eerste vaste oeververbinding met de Randstad .De Flevodienst ging met bussen op Amsterdam rijden . Almere lag nog stil te wachten in een rietmoeras . Amsterdammers gingen de polder alvast verkennen . Via de Oostvaardersdijk .Ze ontdekten daarbij ook Lelystad .Waar huizen met tuinen en cv werden verhuurd .Voor velen een fata morgana in de polderwoestijn .De Dienst Herhuisvesting werd plotseling overstroomd met aanvragen .Omstreeks 1975 werd ongeveer de helft van de woningen aan Amsterdammers toegewezen .
Dit alles betekende dat Flevoland begon te functionneren voor het opvangen van de overloop uit de Randstad .Belangrijk voor Amsterdam ,waar de stadsvernieuwing afhankelijk was van nieuwe bouwfronten elders . Maar vooral ook voor de mensen zelf , die hiermede een langgekoesterde wens in vervulling zagen gaan .Een soort stille sociale revolutie , want nu kon voor het eerst ook de gewone man zich een huisje met een tuintje veroorloven . Lelystad en Almere waren trendsetters bij deze vorm van volkshuisvesting . In feite is deze per referendum afgedwongen . Bewoners die hun stad verlieten op weg naar Flevoland , stemden met hun voeten .

De echte voorbereidingen voor Almere
In 1968 , toen Zuidelijk Flevoland droogviel , begonnen de voorbereidingen voor Almere .
Zoals gezegd , hierbij werd nuttig gebruik gemaakt van alle eerder opgedane ervaringen , goede en slechte .
Op basis daarvan kon in 1970 het later bekende rapport worden uitgebracht , “Verkenningen omtrent de ontwikkeling van de nieuwe stad Almere in Flevoland“.
Dit rapport resulteerde in 5 aanbevelingen die betrekking hadden :
-op de omvang en groeisnelheid van de stad ,125.000 –250.000 inwoners in 25 jaar,
-op de stedenbouwkundige opzet , géén aanééngesloten stad maar een samenhangend stelsel van meerdere woonkernen , een meerkernige stad dus ,
-op de huisvesting van de inwoners , overwegend laagbouw met ééngezinshuizen ,
-op de situering van de eerst te bouwen woonkern , Almere-Haven , aan het Gooimeer , en …
-op de naam van de stad : Almere

Het kabinet aanvaardde deze aanbevelingen in februari 1971 als uitgangspunt voor bestuurlijk overleg met de aangrenzende gebieden .Tevens werd het rapport Verkenningen naar de Tweede Kamer gezonden en gepubliceerd .Vervolgens vond overleg plaats met de besturen van Gelderland , Utrecht , Noord-Holland , Amsterdam en het Gewest Gooiland . Op 15 maart 1971 werd met hen over al deze voorstellen overeenstemming bereikt .
Kort daarna , tijdens de ministerraad van 28 april 1971 , werd op voorstel van de ministers Bakker en Schut besloten alle aanbevelingen uit het rapport Verkenningen te aanvaarden .En de uitvoerende diensten op te dragen op basis van dit rapport de verdere voorbereidingen ter hand te nemen .Op grond van dit besluit konden we een speciaal Projectburo Almere aan het werk zetten . Zonder de krachtige politieke steun van de ministers Bakker en Schut en van de Rijksplanologische Dienst, toen geleid door ir Th.Quené, zou deze snelle besluitvorming niet tot stand zijn gekomen .

De verdere werkzaamheden verliepen redelijk vlot , al werd door tegenstanders af en toe getracht de besluitvorming over Almere terug te draaien , gelukkig zonder succes .
Ook kwam plotseling door een Haagse interventie de eerste zandopspuiting voor Almere op losse schroeven te staan . Vraag niet hoe , maar gelukkig gingen voor dit spuitbestek de kranen nog net op tijd open , 24 juli 1972 . Anders hadden we een jaar vertraging opgelopen .
Op 17 september 1974 werd in de Troonrede door koningin Juliana aangekondigd :
“ In 1975 zal volgens plan de bouw beginnen van de eerste woningen in de nieuwe stad Almere “ . En dat gebeurde . Een jaar later sloeg minister Westerterp daarvoor de eerst paal .

Na deze speurtocht door het verleden zijn we terug bij het jubileum van vandaag .
Almere was ooit toekomstvisie , daarna een planologische droom in rapporten en nota’s en vervolgens een project . Op 30 november 1976 werd het een feit .

Slotopmerkingen
In de 50er jaren projecteerden planologen twee steden in Flevoland . Die zijn er gekomen .In vrij korte tijd , 20 a 25 jaar . Nu al verlichten ze de ruimtelijke druk op de Randstad . Door aantrekkelijke woon- en werkgebieden en vele nieuwe recreatiemogelijkheden .
Hoe kon Almere zo snel gerealiseerd worden ? Door allerlei oorzaken .

Er was een andere tijdgeest . Voor het werk in de nieuwe polders bestond algemeen waardering . Maar stelt U zich nu voor , een plan om Flevoland in te polderen en daarbij nog twee nieuwe steden te gaan bouwen .Zo’n plan zou vermoedelijk blijven steken in een Planologische Kernbeslissing . In ieder geval jaren van bezwaren en besluiteloosheid .
Gelukkig zijn we met Flevoland en Almere net voor die bui binnen .

De snelle realisering was ook te danken aan een goede organisatie van bestuur en uitvoerende diensten. Met ervaring bij het inrichten , ontwikkelen en tijdelijk besturen van nieuwe polders Ook de publieke eigendom van de grond onmisbaar voor een slagvaardig beleid .

Maar het waren vooral de vele bevlogen en creatieve mensen . Zonder hun enthousiasme en stuwkracht zou Almere nooit zo snel van de grond gekomen zijn . Zij zorgden voor een levensvatbare en innovatieve stad . Roel van Duin en Han Lammers waren twee van deze pioniers .Vooral vandaag missen we hen .

Wij leven in een onzekere tijd . Daarom is het goed te zien , hoe de oudere generatie er in slaagde een toekomstvisie te verwerkelijken . Een stimulans voor allen die nu van Almere een moderne grote stad willen maken .

Tekst: W.M.Otto
november 2001



Speech van prof. dr. A.de Swaan

In de loop van de afgelopen kwarteeuw zijn mensen in groten getale naar Almere getrokken in de verwachting dat ze eindelijk goede behuizing, wooncomfort, rust, ruimte en veiligheid zouden vinden. En dat is ze goed bekomen. Hun hoop werd vervuld, meestal. Je hoeft er maar de rapporten van Schuyt en Deben of van Kruithof, Roukens en anderen op na te slaan, of het gaat over het verlangen naar geborgenheid in eigen huis en eigen straat en eigen buurt. Je hoeft er ook alleen maar voor door Almere te rijden om te zien dat het de mensen gelukt is een herbergzaam milieu te creëren. Dat is een grote verworvenheid en een grootse prestatie. Zo’n honderdvijftigduizend mensen hebben in Almere blijkbaar hun onderkomen en hun draai gevonden. En dit jubileum is aanleiding om dat te vieren. Het gaat goed met Almere, en het gaat goed met de Almeerders. En de Nederlanders kunnen, heimelijk uiteraard, trots zijn dat die stad aan het water ontworsteld is, nog een stuk aarde gemaakt door mensenhanden, drooggelegd en opgebouwd. Waar haast overal ter wereld mensen zich inspannen om hun land te bewateren, doen de Nederlanders het omgekeerde en leggen hun wateren droog om er land van te maken. De mensen zijn gezonken tot op de bodem van de lucht, maar alleen de Nederlanders zijn verrezen uit het water. Almere is eigenlijk Uitmere. En die grootse onderneming is in die vijfentwintig jaar geslaagd. Ik heb daar plezier in en ik hoop dat ook anderen zich daarin verheugen. Want in dit leven is de mens niet blij genoeg.
Aan de bezoeker doet de stad zich onberispelijk voor. Maar de Almeerders klagen over de vervuiling en de verloedering van hun schone stad. ‘op sommige plekken vernielen boomwortels de bestrating’ Parbleu! En erger nog: ‘buurten worden ervaren als onveilig en onoverzichtelijk door overhangend groen’. Nee, dat is geen resterend zeewier, dat daar tiert, dat zijn bomen die zich in vijfentwintig jaar uit de klei gewrongen hebben, blijkbaar zonder plantpermissie of groeivergunnig, en die nu al de klinkers uit de straat weten te wrikken en de schuttingen overwoekeren. Wildgroei op nieuwe gronden. Is dat niet wonderbaar!
Toch hangt over datzelfde Almere een ‘ennui de banlieue’, een vage verveling, een hang naar iets anders, dat ergens anders is: soms een heimwee naar de grote stad aan de overkant van het water, een verlangend ongeduld, een gevoel van gemis naar iets wat anders dat groots en meeslepend kan zijn, onverwacht en wild.
Maar is dat niet de onvermijdelijke tegenkant van de tevredenheid, wanneer de boel aan kant is en de zaakjes op orde zijn en dan, net als alles klaar is, opeens een gevoel opsteekt dat er toch iets ontbreekt, toch nog ergens iets mankeert? ‘Is dàt alles, alles wat er is?’ (zingt Doemaar). Iets daarvan is ook en juist te herkennen bij de bestuurders en de planners, die toch bij uitstek wars zijn van de hang naar avontuur of van een neiging tot melancholie. ‘Hebben jullie het hier echt wel naar je zin?’, vragen ze de bewoners, ‘doen wij wel mee?’, willen ze dan van de buitenwereld weten.
Dan komen de stedenbouwkundigen en de sociologen, de bestuurskundigen en de opbouwwerkers met rapporten en met aanbevelingen: Meer variëteit, meer multiculturaliteit, meer pluriformiteit, broedplaatsen van creativiteit, enclaves voor wilde flora, vrije fauna. Een planner begint begeesterd met een viltstift op de plattegrond te krassen. Maar een ander trekt er dan subiet met fijne rode pen een cirkel omheen. ‘Alles goed en wel, zeggen een tijd later de bewoners, maar niet bij mijn achterdeur.’ En daarop blijft het plan dan steken . Dat komt omdat al die ideeën, naarmate ze dichter bij de werkelijkheid komen, sociaal conflict uitlokken: onvrede, ruzie, verzet.. Want de tevredenheid bestaat dankzij een breekbaar compromis, een precair evenwicht tussen even zovele individuele mensenwensen en de doorbreking van die orde verstoort onvermijdelijkerwijs de lieve vrede.
Ik zie twee grote oorzaken van die ‘ennui de banlieue’, die ‘suburban blues’, die kleinsteedse beklemming. De ene is specifiek voor Almere en heeft te maken met de fysische geografie, de ligging van de stad. De andere is meer algemeen en betreft de manier waarop de stedelijke omgeving vorm krijgt, juist in een democratische cultuur.
Laten we beginnen met de situering van Almere, in de polder, achter de dijken, in het IJsselmeer, dat water dat al getemd werd met de afsluiting van de Zuiderzee en dat toch altijd woest en onvoorspelbaar is gebleven. ‘Het kan daar lelijk spoken’ zeggen de schippers dan. Er zijn binnen de bebouwde kom van Almere maar heel weinig plekken vanwaar het IJsselmeer in al zijn grootse ruimte te zien is. Integendeel, Almere is landinwaarts gebouwd, naar binnen gekeerd, alsof Waterstaat de bewoners van het nieuwe land wilde afschermen van de confrontatie met het wilde water waaruit de stad is voortgekomen. Almere heeft zijn binnenwateren, zijn getemde binnenhaven, zijn plassen en sloten waar de bewoners hun motorboten hebben geparkeerd, zijn stranden met recreatieve voorzieningen waar ze gaan pootjebaden. Maar alle spanning, alle opwinding van het open water is onttrokken aan het oog, ontnomen aan de beleving. Geen groter contrast dan met de Zeeburger en IJburger eilanden aan de overkant van het IJ, waar tien, twintig jaar later een stad werd gebouwd die aan alle kanten open ligt voor het water. Waar het harder waait, waar het kouder is dan in het vastelandse Amsterdam, waar aken en cruiseschepen af en aan varen in het zicht van de flatbewoners. Op zwemafstand liggen de dijkhuizen van Durgerdam, van Volendam met uitzicht op het water, die toch tot voorbeeld hadden kunnen dienen.
Wat Waterstaat en de ontwikkelaars indertijd bezield heeft om Almere met de rug naar het water te draaien, ik weet het niet. Maar in plaats van een zeerob is Almere een landrot geworden en dat had niet gehoeven. Het had niet gemoeten. Ik ben geen stedebouwkundig planoloog, maar ik denk dat het nog steeds anders kan. Verover de dijken terug, maak er boulevards en esplanades van, zet er woontorens neer die uitzien tot over het vasteland aan de andere oever, bouw brute dijkhuizen die tegen de zoute westerstorm van de Noordzee zijn opgewassen en die de beukende golfslag van het IJsselmeer kunnen weerstaan. Er is één plek in Almere waar ik nu, meteen, zou willen wonen: het is een verlaten betonnen toren, bij een opgegeven werkhaven die tegen het basalt van de westerdijk aanligt, even bar en even bars als het weer en het water daar. Eenzaam zal ik er ooit in stormachtige nachten vuursignalen uitwisselen met schepen in nood, schipbreukelingen zal ik er op het droge trekken en met hete cognac weer tot bewustzijn brengen. Dank noch loon zal ik ooit vragen, zowaar ik aan het water woon.
Houd toch op met die koudwatervrees, zet je kraag op, maak er een harde, Hollandse stad van, met aan de ene kant het ruime water, aan de andere kant de weidse polder en ten Noorden nog de wilde Oostvaarder plassen. Dan waait die voorsteedse treurnis vanzelf weg.
Genoeg gefantaseerd, er zijn nog andere bezwaren. De tweede oorzaak van de ‘tristesse de banlieue’, van het kleinsteeds verdriet, is niet zozeer typerend voor Almere, het is kenmerkend voor de manier waarop alom en overal de stedelijke omgeving haar vorm krijgt.
Het heeft te maken met inspraak en overleg, met bestemmingsplan en planprocedure, met commissieberaad en raadsbesluit. Het gaat me daarbij niet om het stelsel van bureaucratie en van compromis met elke en iedere belanghebbende, beter bekend als het ‘poldermodel’, maar om nog iets anders, nog iets diepers in de samenleving.
De mensen zijn naar Almere gekomen omdat ze er betere woningen konden krijgen en een rustiger, veiliger, gerieflijker woonomgeving hoopten te vinden. Ze kwamen alleen of gezinsgewijs. En voor het overgrote merendeel vonden ze in Almere waar ze voor gekomen waren. Ze hebben er hun huizen gemeubileerd, hun tuintjes geschoffeld en beplant, of toch maar geasfalteerd. En daar ontwaart de bezoeker een vreemde aarzeling. Wat ze hebben aangelegd zijn niet de niets ontziende gazons die vertrouwd zijn uit Amerika, waar heg nog hek de voortuin scheidt van de straat of van het belendend perceel. Maar ze hebben ook niet de wallen, muren en hagen opgetrokken waarmee in Zuid-Europa de een zijn hof afschermt tegen dat van de ander. Het lijkt wel of de Almeerders het ongepast vinden om zich zo af te scheiden van hun buren, alsof ze zodoende het goede nabuurschap zouden weigeren, maar toch perkt iedereen zijn terreintje af, discreet gemarkeerd door een rijtje begonia’s of een buxushaagje. Het is ondertussen alweer achterhaald om zulk doorzichtig isolement af te doen als een bekrompen, kleinburgerlijk woonwijze. Het is nu de rigeur om die kleine, burgerlijke territoria juist naar waarde te schatten. ‘Zo willen de mensen het toch zelf.’
En dat is ook zo, de mensen willen het liefst een vrijstaand eengezinshuis, of tenminste een twee-onder-een-kap, desnoods een rijtjeshuis, van voor en achteren vrij en zonder boven- of onderburen. Die voorkeur komt al honderd jaar uit elk onderzoek naar voren, hier en in de buurlanden. Mensen willen immers wonen zoals zij denken dat anderen, die beter af zijn, wonen. En in het ontwerp van Almere is ook van die voorkeuren uitgegaan. Waarom nog eens een Bijlmermeer als in Amsterdam, of een Ommoord als in Rotterdam? Hoogbouw van betonkolossen, omgeven door een niemandsland van gemeenschappelijk groen.
Ook ik denk dat de mensen liever willen wat Almere ze te bieden heeft. Ieder verbouwt zijn eigen tuintje en richt zijn eigen huisje in. En ieder is gelukkig met zijn eigen pand en perceel. Maar ik weet niet zo zeker of de bewoners ook zo gelukkig zijn met het uiteindelijk, omvattend resultaat, met het stedelijk milieu dat daaruit resulteert. De aggregatie van individuele voorkeuren leidt wel vaker tot onbedoelde en ongewenste resultaten, dat is de sociologische tragiek. Elk gezinnetje wil op een mooie zomerdag wel naar het strand, maar niemand wil daarom ook twee, drie uur heen en drie, twee uur terug in de file staan. En toch is dat de uitkomst van die geaggregeerde voorkeuren. Om te wonen wil men een eigen, afgeperkt gebied, om daarop helemaal voor zich te doen wat alle anderen ook helemaal voor zich doen. Maar dat leidt tot een verkavelde braafheid waarin uiteindelijk iedereen zich verveelt. Dat is ook de noodlottige uitkomst van alle inspraak en overleg. Omdat daarin ieder voor zich spreekt, is het eindresultaat een opsomming, maar geen totaliteit. De sommering van alle individuele voorkeuren en afzonderlijke wensen, brengt een geheel voort dat niemand wenst of verkiest. Het ene tuintje volgt heel braafjes het andere idem op, het ene straatje volstrekt verwisselbaar na het andere, het ene wijkje ligt volledig voorspelbaar naast het volgende. En ieder is afzonderlijk heel tevreden met de eigen woning, ook nog in het eigen straatje, en zelfs met de eigen wijk, maar de stadsbuurt als geheel lijkt hun opeens te laf en te lauw.
Het gevolg is dat mensen het in hun vrije tijd ergens anders gaan zoeken: in de vrije natuur waar ze geen mens tegen hadden willen komen en alleen maar medemensen tegenkomen die al ook al geen mens hadden willen ontmoeten; of in de vrije, grote stad, waar zij zoveel andere mensen tegenkomen dat ze kunnen opgaan in de anonimiteit van de menigte.
Kortom, de moderne, waanwijze woonwijze moet wel leiden tot een vage meligheid , waarin ieder op zich tevreden is en allen tezamen gemelijk zijn. Dat komt omdat - terecht - de afzonderlijke woonwensen van de mensen de richtlijn zijn en geen omvattende idee van stedelijke vormgeving nog gelding heeft. De architecten die zich daar ooit sterk voor maakten hebben maar al te vaak hun pretentie opgegeven: wie zijn zij dat ze nog een andere visie zouden durven verdedigen dan de optelling van individuele voorkeuren? Dit is de zwakte van een bepaald soort democratie, een democratie van de vraag, marktgericht, klantgericht, individueel bepaald, een positivistische democratie, ontdaan van alle visie en visioen die de manifeste voorkeuren te boven gaan; een democratie, dus, waarin niet grootscheepse, omvattende concepties tegenover elkaar geplaatst zijn in een wedijver om de kiezersvoorkeur, maar waarin de enig geldige conceptie nooit méér is dan enkel en alleen een optelling van de uitgesproken voorkeuren van de kiezers.
Anders gezegd, het is nog steeds jammer dat de conceptie van de Bijlmermeer niet doorgezet is, dat de verwezenlijking halverwege is blijven steken en ten hele gesloopt moest worden.
In deze context van individualistische voldaanheid en collectieve meligheid beseffen planners en bestuurders ook wel dat er iets ontbreekt, dat er ergens vagelijk iets mis is. Ze merken het zelfs eerder en zijn het zich scherper bewust, omdat ze beroepshalve en uit roeping de neiging hebben om het geheel te beschouwen, het stedelijk milieu, het stadsplan in zijn samenhang.
< … >

Kenmerk van de grootstedelijke levenswijze is dat de stedelijke ruimte daar noet te bemeten is in vierkantr of kubieke meters, maar dat die pluridimensionaal is en zlleen zijn grenzen vindt in het vermogen van de stedelingen om elkaar te kunnen verdragen: dat is de ruimte van fysieke en morele onaantastbaarheid. Op één fysieke locatie spelen zich opeenvolgend of zelfs gelijktijdig verschillende sociale episodes af, bevinden mensen zich weliswaar in dezelfde fysieke ruimte, maar in verschillende sociale ruimtes die naast en door elkaar heen bestaan, doordat de spelers elkaar wederzijds weten te negeren en te ontlopen. Dat is de kunst van het stedelijk bestaan, dat is de trots van de grotestadsbewoner.
‘Gaze, not space’ is de uitdrukking die daarvoor in India gebruikt wordt. Terwijl rondom de mensen zich voortspoeden, de auto’s luid toeterend doorrazen, straatventers luidop hun spullen aanprijzen, zit temidden van dat alles, roerloos en onbewogen een heilig man te mediteren, schijnbaar volkomen onaangedaan door alles wat er om hem heen gebeurt. Zo beklaagde een geleerde Indiase collega zich over het straatlawaai van opgeschoten jongens uit de buurt ‘s als hij ‘s avonds thuis zat te werken. ‘Hij is dus geen echte geleerde’ zeiden die jongens, ‘want dan zou hij ons niet eens opmerken.’ Een echte wijze is onverstoorbaar. at is me bij gebleven.
In die Indiase steden is de stoep ’s nachts, en zelfs overdag, slaapplaats voor daklozen die en famnille op het trottoir kamperen. De passanten stappen welgemoed over hun slapende lichamen heen en blijven er onberoerd bij. Langs de kant van de weg hurken mensen in het gras en doen er hun behoefte in het volle zicht van de voorbijgangers. Die zien het, maar nemen het niet waar, zoals bij ons in beschaafd gezelschap twee parende honden niet ongezien maar wel onopgemerkt blijven.
Niet de fysieke ruimte is beslissend, maar de menselijke blik die zich kan afwenden, die zien kan zonder te kijken of te registreren: in één fysieke ruimte schuiven verschillende sociale ruimtes langs en door elkaar.
Geen aanstoot geven betekent dan, het anderen mogelijk maken om je te negeren. Geen aanstoot nemen betekent anderen wel zien, maar ze niet opmerken. Dat is het kunststuk van het grote-stadsleven.
Het gaat er dus niet om wat zich allemaal afspeelt binnen één fysieke locatie, maar of mensen daaronder onaangetast kunnen blijven: in lichamelijke zin, dat zij niet fysiek bedreigd worden, en in nog een andere betekenis, in morele zin, dat zij niet in hun waardigheid, in hun eergevoel worden aangetast, dat zij hun eigen optreden ongestoord en volgens eigen regie kunnen voortzetten. Van belang is dus ook niet de feitelijke afstand of nabijheid, maar de handhaving van de fysieke en morele onaantastbaarheid, een onzichtbaar aura van waardigheid dat ieder met zich mee draagt.
Zolang die morele waarde onaangetast blijft, kunnen mensen vrijwel alles verdragen wat zich in hun omgeving voordoet. Daarom kan zich dan ook in een stedelijke omgeving van alles op een en dezelfde plaats afspelen, zelfs gelijktijdig, zolang maar ieders ruimte van morele onaantastbaarheid behouden blijft.
Dat is in de eerste plaats een kwestie van gewenning: mensen moeten leren om geleidelijk hun eigen morele onaantastbaarheidsruimte te schikken naar de ruimtes van anderen. En die morele ruimtelijke ordening verschuift voortdurend. Een jaar, twee jaar geleden was iemand die op straat heftig gesticulered luidop liep te praten zonder tijfel een gek, ongevaarlijk misschien, maar toch iemand om met een boog omheen te lopen, ook om elke aantasting van de eigen morele ruimte te vermijden. Nu beginnen we zo’n hevig gebarende schreeuwlelijk te herkennen als iemand die met zijn mobieltje aan het bellen is en van wie geen enkele aantasting te duchten is.
Jarenlang heb ik in Amsterdam op de gracht gewoond, ‘op stand ‘ om zo te zeggen. Maar datzelfde stuk gracht was sinds tijden ook een hoerenbuurtje. Voor de deftige hoge stoepen stonden van de late avond tot de vroege ochtend de prostituées te lonken naar de langsrijdende automobilisten. De auto’s reden stapvoets, omdat de gezinsvaders, kuis op weg naar huis, op zoek waren naar een parkeerplaats, òf omdat de hoerenklanten belust op zoek waren naar een vrijplaats. De huisvaders zagen de hoeren maar merkten ze niet meer op, de klanten zochten ze en bekeken ze. Terwijl de vrouwen en hun klanten hitsig fluisterden door het open autoraam, kuste op de hoge stoep de huisvader zijn echtgenote bij de open huisdeur. Al die mensen hadden elkaar heel goed in de gaten en wisten elkaar tegelijk ook te negeren en te vermijden. Zoals tijdens een dinertje de kinderen onder de tafel spelen, ‘ik was een Talibaan en jij was Amerikaan, ik schoot je dood’ – ‘nietes ik jou!’, terwijl boventafels de ouders de aandelenkoersen nog eens doornemen, zonder dat de groten en de kleinen zich door elkaar laten storen, zo ook speelden de vrouwen van de straat de hoer voor hun klanten en voerden wij in onze grachtenhuizen de taferelen van het gelukkig gezinsleven op. We speelden het niet, we waren het. Wat wij en zij speelden was dat we de anderen niet zagen, dat zij niet echt bestonden. En daarom stoorden we elkander ook niet. Soms stapte per ongeluk iemand van de ene sociale ruimte in de andere.. Een prostituée die nieuw was en de vaste bewoners niet meteen herkende, stak dan haar hoofd door het autoraam van een eerbaar parkeerder en besefte opeens dat ze een grachtenbewoner voor zich had, in plaats van een passant. Ze trok zich geschrokken en beschaamd terug, ‘sorry hoor, ik wist niet dat u het was.’ Het is blijkbaar de schaamte die de door elkaar schuivende sociale ruimtes binnen eenzelfde locatie gescheiden houdt. En als die sociale ruimtes ongewild toch door elkaar raken, botst er iets en moet er reparatiewerk verricht worden, met grapjes en excuses.
De pluridimensionaliteit van de grootstedelijke ruimte wordt in stand gehouden doordat de mensen in verschillende sociale ruimtes de anderen heel subtiel wederzijds negeren en dat doen zij uit schaamte voor elkaar. Zo blijft ieders waardigheid onaangetast binnen de eigen ruimte van morele onaantastbaarheid.

De grote stad verlaten, zoals zovele Almeerders ooit gedaan hebben, betekent ook dat dit spel van onderlinge vermijding kan worden opgegeven. Van nu af zijn de bewoners in hun eigen buurt onder hun eigen soort mensen, onder gelijken. Daardoor valt voortaan de sociale ruimte samen met de fysieke ruimte. Op één locatie voltrekt zich ook nog maar een enkel genre van sociale episodes . ‘Er gebeurt hier niets’ zeggen mensen dan als ze dan toch het sociale veelvoud van ensceneringen missen. Maar in de woonbuurten wordt enkel gewoond, in de winkelstraten alleen maar gewinkeld, in de zakenwijk houdt men kantoor en niets anders, in de recreatiegebieden kan men zich uitsluitend ontspannen en amuseren. Het is alles heel enkelvoudig, heel voorspelbaar, weinig bedreigend, en een beetje saai. Het is ook typisch kleinsteeds, typerend voor de levenswijze in de kleine stad. En ook daarvoor kunnen mensen zich dan weer schamen, dat ze niet groots, meeslepend en veelvuldig leven, maar in het enkelvoudig bestaan van de voorsteden.

Bestuurders en hun adviseurs willen daar iets aan doen. Of de bewoners dat ook willen is de vraag. Maar in de adviezen van de experts en in de bestuurlijke plannen wordt monotoon en uniform gepleit voor grotere variëteit, voor het doorbreken van het kleinsteedse enkelvoud, het doorzetten van het grootsteedse veelvoud. De gebouwde omgeving moet ingericht worden op meer gevarieerde gebruikswijzen, de homogene woonwijken moeten een architectonisch contrapunt krijgen, rijtjeshuizen zijn af te wisselen met winkels en kleine bedrijven, de bevolking mag kleurrijker, gemengder worden, verschillende leeftijdsgroepen kunne door elkaar wonen. Zo zal een stedelijke omgeving ontstaan waarin de sociale ruimtes door elkaar gaan schuiven. In de praktijk blijkt dat moeilijk te realiseren. Dat komt omdat die vermenging van sociale ruimtes binnen één fysieke ruimte een grens vindt in de morele onaantastbaarheid die de mensen willen handhaven. Ze kunnen die grenzen wel iets verleggen, hun ruimte schikken naar die van anderen, maar dat vergt onderlinge aanpassing en dat gaat nooit zonder wrijvingen, dus nooit zonder conflict. De deskundigen hebben geen individueel belang bij de bescherming van de woonomgeving ter plaatse, bij de ruimtelijke ordening van de morele onaantastbaarheid. Zij zijn hierin tamelijk belangeloos en herkennen als belangeloze buitenstaanders eerder en scherper het collectief tekort van de kleinsteedse samenleving, de ‘ennui de banlieue’. Maar voor de inwoners ligt het anders. Elk nieuw element dat in hun samenleving wordt ingebracht houdt voor hen een risico in dat ze liever vermijden, een mogelijke aantasting van hun morele waarde. Want daar gaat het uiteindelijk om: om waardigheid, eerbied, respect – ouderwetse woorden, die nog steeds gelden. Ook voor moderne mensen. Die komen er alleen niet zo makkelijk meer voor uit. Dus praten ze makkelijker over hun fysieke veiligheid, over een mogelijke daling van de huizenprijzen, komen ze met allerlei argumenten die hun hard en overtuigend voorkomen. Maar ze kunnen en durven niet zeggen dat ze zich door vreemde elementen, nieuwelingen, vreemdelingen bedreigd voelen in hun morele waardigheid. De goedbedoelde voorstellen van de welwillende instanties stuiten dus al dadelijk op tegenstand, een tegenzin die des te moeilijker te overwinnen is, omdat hij oneigenlijk is, omdat het in feite over andere beweegredenen gaat dan daar worden aangevoerd. Het is allemaal nog eens zo moeilijk te decoderen omdat het in de huidige samenleving ten strengste verboden is om anderen als minderen te benoemen. Elke zelfverheffing, elke aanspraak op morele superioriteit slaat met verdubbelde kracht terug op degeen die zich zo boven een ander wil stellen en maakt van de weeromstuit zo iemand zelf tot een moreel minderwaardig persoon, een kleingeest op zijn minst en in het ergste geval een racist, of zelfs een fascist.
Onder de gegeven omstandigheden wordt het er niet eenvoudiger op om in het wijkberaad te komen vertellen dat je tegen een asielzoekerscentrum bent. In wezen gaat het erom dat de komst van mensen met minder sociaal aanzien in andermans ogen ook de standing van de buurt aantast en dus van de buurtbewonersi. Maar dat bezwaar is veelal onuitsprekelijk. Alle andere argumenten, over fysieke veiligheid, ruimtegebrek, lawaaioverlast, waardevermindering, zijn oneigenlijk en onwaarachtig en juist daarom onweerlegbaar.
Het laat zich aanzien dat in de eigentijdse Nederlandse samenleving die zo eerloos lijkt, toch heel veel kwesties erezaken zijn, ook al doen ze zich niet zo voor en kunnen ze ook niet in die termen worden verwoord. Veel vaker dan het lijkt is de morele onaantastbaarheid in het geding en proberen mensen hun sociale ruimte tegen een inbreuk te beschermen. Ik vraag me af wat de reactie zou zijn als iemand in zo’n buurtvergadering op een protest zou reageren met de opmerking: ‘Maar vindt u het soms vernederend dat dit in uw wijk gaat gebeuren, voelt u zich erdoor gekleineerd?’ Misschien is de opmerking op zich zelf al een aantasting van iemands waardigheid en waarschijnlijk is het ook niet mogelijk om toe te geven dat het juist daarom gaat, want op het moment dat het gevoel erkend wordt, verliest het argument zijn kracht.

Het zijn de afzonderlijke woonwensen die leiden tot individuele tevredenheid, maar dan, eenmaal gesommeerd een collectieve meligheid teweeg brengen, een kleinsteedse verveling. Om die te doorbreken wordt dan van hogerhand gestreefd naar pluriformiteit en multiculturalisme, maar dat streven stuit op bedekte weerstand omdat mensen vrezen dat daardoor hun sociale ruimte van morele onaantastbaarheid bedreigd wordt. Dat is het verdriet van de voorsteden. Ook Almere heeft daarvan te lijden. Maar de stad zal veel grootser en meeslepender worden als het zich keert naar het woeste, weidse water van het IJsselmeer. Dat is een buitenkans die uniek is voor Almere.
Nu al een kwarteeuw ligt Almere droog op de bodem van de zee en vaart daar wel bij. Dat moet gevierd worden en verzinnebeeld. Ik zied een groot jubileumgfeschenk voor me: maak een gebouw dat omringd is door een ruime, ronde glazen wal, drie meter hoog, waarbinnen op het ware peil, het water van het IJsselmeer te zien is. De mensen in het gebouw kijken naar buiten en de mensen op straat kijken naar binnen door een wal van water, het water dat nog steeds de stad omringt en dat voor één keer feestelijk wordt binnengehaald en opgesloten in een rondeel van glas.
Ik wens u veel voorspoed en vreugde.

Tekst: Abram de Swaan, (universiteitshoogleraar, Universiteit van Amsterdam)

TERUG