Nieuwjaarsreceptie Almere

Almere 06 Januari 2002

Nieuwjaarsrede Burgemeester H.G. Ouwerkerk,
uitgesproken op de nieuwjaarsreceptie van 5 januari 2002.


    
Hans Ouwerkerk
Dames en Heren,
Namens het Gemeentebestuur heet ik U van harte welkom en wens ik U en de Uwen een voorspoedig nieuw jaar toe.
Nog maar kort geleden waren we in deze zaal bijeen om het 25 jarig bestaan van Almere te herdenken en te vieren. We keken terug op onze korte geschiedenis aan de hand van Dr. Otto en we kregen een inspirerende vooruitblik op onze stad van Prof. De Swaan. En de documentaire van Willem Thijssen riep bij velen van ons, zeker bij hen, die we onze pioniers mogen noemen, allerlei herinneringen op aan hoe het hier begonnen is. Telkens weer ben ik onder de indruk van wat hier na de drooglegging van de polder tot stand gebracht is. De eerste 100 bewoners zijn inmiddels gevolgd door bijna 160.000 anderen. Almere mag dan uit het niets begonnen zijn, nu staat er een stad, die volop meetelt in bestuurlijk Nederland.

In de niet door iedereen gewaardeerde uitzending van de VPRO over Almere werden we een frontierstad genoemd, die door pioniers in het Nederlandse wilde westen was gevestigd. Dat waren woorden van Henk Hofland, die Flevoland zeer is toegedaan. Wie vanuit de stad naar de polder keek, zag een uitgestrekte vlakte, af en toe onderbroken door een boerderij. Almere was dus niet deel van een oudere beschaving, het was een nieuw settlement op pas-ontgonnen land. Dat begrip frontierstad gebruikte de Amerikaanse historicus James Kennedy om een vergelijking te maken met Amerika, waar ook op diverse plaatsen nieuwe gemeenschappen zijn gesticht. De Amerikanen zijn trots op wat er toen verricht is en houden de herinnering daaraan nog steeds levend. Kennedy stelt zich de vraag waarom het wonder van Nederlandse planologie, Almere dus, nooit voorwerp van nationale trots is geworden.

Zijn antwoord is dat Almere een gedeelde geschiedenis onder zijn bewoners mist en zo niet meer dan een stad van individuen geworden is.
Het bedwingen van de zee, het droogleggen van de polders en het bouwen van jonge steden heeft Nederland anders gemaakt dan de ons omringende landen. Maar daar merk je in Almere weinig van. Almere is misschien te Nederlands, te bescheiden! Kennedy zegt dat het unieke, vlakke, uitgestrekte en jonge karakter van de Flevo-prairie van haar steden een duidelijker profiel vraagt dan dat van een buitenwijk van de Randstad.

Ik vind dat er veel waars in deze beoordeling zit. We zouden ons er niet aan moeten storen, maar juist inspiratie aan moeten ontlenen. Wat we met de stad menen te moeten doen, heeft het gemeentebestuur voor de komende tien jaar neergelegd in het nieuwe structuurplan, dat eind vorig jaar is gepubliceerd. Binnen en buiten Flevoland worden plannen gemaakt wat de toekomst Almere zou moeten brengen. Medio december heeft minister Pronk van VROM in de zg. Planologische Kernbeslissing (PKB) voor de Randstad het concept van de Deltametropool gepresenteerd.

Voor zes gebieden wil het rijk actief bijdragen aan het creren van topkwaliteit. Daar worden topvoorzieningen en internationale functies geconcentreerd. In verband met de verdergaande bundeling van de verstedelijking in Almere en de bijbehorende opgave voor voorzieningen wordt ook onze stad als toplocatie aangewezen. Er zal een integraal ontwikkelingsplan opgesteld gaan worden, waarin wonen, werken, recreatie, groen, water, infrastructuur en andere bij een dergelijke groei passende voorzieningen in samenhang zullen worden uitgewerkt. Bij voorzieningen moeten we bijv. denken aan ziekenhuisbedden, onderwijs, cultuur enz.
De Gemeenteraad heeft in een debat over deze voornemens van de regering uitgesproken, dat denken over die verdere groei om de orde van grootte aan te geven: een stad in de omvang van Eindhoven erbij pas aan de orde kan komen, wanneer er in het Almere, zoals wij dat nu kennen een goed evenwicht is tussen wonen, werken en voorzieningen.

Ook heeft de Gemeenteraad bepaald, dat de bestaande stad meer aandacht en onderhoud nodig heeft. Dit alles zal vertaald moeten worden in een investeringsvisie en een sociaal structuurplan, waarin de bewoners van onze stad centraal staan. Alleen op die manier kan Almere meer worden dan een stad van individuen.
Een Nieuwjaarsrede leent zich voor een wat vrijere beschouwing en het uiteenzetten van enkele gedachten over die zojuist geschetste mogelijke ontwikkeling.
Het is goed daarbij te leren van het verleden. Almere is een product van overheidsplanning, waaraan een lange tijd van studie vooraf was gegaan.
Het flexibele planologische model leende zich voor aanpassingen, die de tijd nodig maakte. Het meer dan verdubbelen van de omvang van Almere is een opgave, die in ons land nog nooit ergens anders is vertoond. Zonder in bescheidenheid te vervallen, moeten we ons wel de vraag stellen of we zon klus wel kunnen klaren. Het is natuurlijk wel wat anders dan weer een stadsdeel tot ontwikkeling brengen, zoals we dat tot nu toe plegen te doen. Het lijkt mij essentieel dat Rijk, provincie Flevoland en de groot Amsterdamse regio met Almere eerst de vraag onder ogen zien naar wat voor type stad, naar wat voor samenleving in die stad, we eigenlijk op weg willen gaan. Er moet een concept doordacht worden voor dat sterk vergrote Almere. Ik deel de kritiek van het Tweede Kamerlid Duivestein, dat de PKB geen duidelijk beeld geeft hoe de grote steden met een sterke samenballing van zeer divers samengestelde bevolkingsgroepen er uit zouden kunnen gaan zien. Almere zal niet voor de verleiding van de groei om de groei moeten bezwijken, maar juist de andere partners moeten verleiden tot een scherpe doordenking van het groeiconcept. Wat voor stad willen we eigenlijk worden?
In ieder geval mag nooit meer aan sterke groei begonnen worden, wanneer niet vastgelegd en verzekerd is dat bereikbaarheid, voorzieningen en de financiering daarvan gelijke tred zullen houden met een groeitaakstelling.

Ik pleit er voor om het ontwikkelingsplan dat de PKB voor Almere noemt in fasen op te stellen en te beginnen met een doordenking van het stedelijke concept.

Vorig jaar veroorloofde ik mij een opmerking over mogelijk buitendijks bouwen. Ik herhaal die nu omdat naar mijn bescheiden mening een sterk vergroot Almere in samenhang met de Amsterdamse regio moet worden gezien. Daarbij is onmisbaar om zich gedachten te vormen of en zo ja een ontwikkeling in de richting van IJburg studie verdient en zo neen, hoe men dan denkt de ontsluiting van een vergroot Almere naar het oude land gestalte te kunnen geven. Voor alle duidelijkheid: nieuwe infrastructuur zowel voor openbaar vervoer als over de weg dient hand in hand te gaan met ja of neen over verdere groei van Almere. Anders gezegd: nieuwe infrastructuur op, Almere stop!
Zeer binnenkort zullen we overleg voeren met de gemeente Amsterdam om hen te bewegen in de door mij bepleite studie te participeren. We denken er ook aan om meer dan tot nu toe gebruik te gaan maken van de kennis, die op diverse terreinen aanwezig is bij de Universiteit van Amsterdam, waarmee een goede samenwerking is ontstaan. Binnenkort starten besprekingen over de vestiging van een Almere leerstoel bij de UvA.

Recent overleg met de regering wettigt de verwachting dat de opstelling van Almere, sterk gesteund door het provinciaal bestuur, begrepen en geaccepteerd wordt. Binnen enkele weken verwachten we van het ministerie van VROM een voorstel hoe we het proces, dat ik hierboven globaal aangaf, verder vorm kunnen geven. De komende maanden zullen we hard moeten werken aan een pakket voorzieningen, waarover met de nieuw aan te treden regering bindende afspraken moeten worden gemaakt, voor het inhalen van de achterstand op het terrein van voorzieningen voor het thans bestaande Almere. Wanneer dat niet zou lukken, lijkt de basis voor doorgroeien te ontvallen.

Almeerders hebben er recht op in hun eigen stad alles te kunnen vinden dat bij een stedelijke samenleving van onze huidige omvang behoort. Nu is dat nog niet op alle terreinen het geval. Wil Almere de toplocatie kunnen worden, die de regering voor ogen staat, dan ligt hier een zware verantwoordelijkheid voor het rijk. We hebben de regering hierop natuurlijk al aangesproken. De Tweede Kamer zal ons moeten steunen bij het inlopen van de achterstand. Voor het debat over de PKB zullen we de Kamerleden de onverbrekelijke samenhang duidelijk maken van infrastructuur, inlopen van voorzieningen en de financiering daarvan met het al dan niet kunnen voldoen aan een nieuwe groeitaakstelling.

De aandacht voor Almere op regionaal en landelijk niveau en de grote plannen die er met onze stad zijn, geven ons de kans om, zoals James Kennedy zei, een voorbeeld van nationale trots te worden.

Wanneer we over de verdere ontwikkeling van de stad spreken moeten we ons steeds voor ogen houden dat we de mensen in die stad centraal stellen. De Gemeenteraad vertegenwoordigt de burgers en heeft dus een zware verantwoordelijkheid op zijn schouders genomen. Ik maak van deze gelegenheid gebruik om de Raad dank te zeggen voor hun inspanningen nu het moment naderbij komt dat het mandaat van de zittende Raad afloopt.

6 maart a.s. worden de verkiezingen voor de nieuwe Raad gehouden. Het meest fundamentele recht in onze parlementaire democratie, het recht om te kunnen kiezen, kan dan tot gelding gebracht worden. Ik hoop dat we een goede opkomst mogen verwachten.

In de nieuwe Raad zal het spel anders gespeeld gaan worden. De Raad zal zijn positie t.o.v. het College van B en W scherper gestalte kunnen gaan geven. De wethouders zullen geen raadslid meer zijn en de burgemeester zal meer de voorzitter van het College zijn dan van de Raad.
De thans zittende Raad heeft zich al op die nieuwe situatie voorbereid, maar we zullen toch wel zeker in het begin nog wat moeten wennen aan de nieuwe verhoudingen. Ik hoop van harte dat de nieuwe Gemeenteraad zijn mogelijkheden grijpt en dat het debat tussen College en Raad een stevige basis zal bieden voor de moeilijke beslissingen die de nieuwe Raad te nemen zal hebben.

Het afgelopen jaar is de discussie over het uitoefenen van de verantwoordelijkheden, die de overheid ook lokaal zijn toegekend, opgelaaid onder invloed van ernstige rampen die ons land getroffen hadden. Daarbij zijn kritische noten gekraakt over ons bestuursmodel, dat zich kenmerkte door een hardnekkig zoeken naar consensus en op die manier tegenstellingen zou toedekken. Niet minder kritiek kwam er op de gedoogcultuur, die bijgedragen zou hebben aan verzaking van verantwoordelijkheden. Er kwam een roep om handhaving van wat afgesproken is. Ik stel er tot slot van deze beschouwing prijs op hierover nog enkele opmerkingen te maken, waarbij ik teruggrijp op wat ik daarover in de burgemeesterslezing onder woorden heb gebracht.

De overgrote meerderheid van de burgerij stelt er prijs op te leven volgens regels en wetten, die door de overheid worden gehandhaafd. Als dat met grote regelmaat niet meer zou gebeuren, gaan burgers hun eigen belangen beveiligen, wat op den duur tot het failliet van de politiek zal leiden. En de bereidheid tot gedogen wordt dan van de informele ideologie van het poldermodel tot een even informele als feitelijke erkenning van het recht van de sterkste. Dat moeten we niet laten gebeuren. Onvoldoende handhaving tast de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid aan en leidt ertoe dat de door de wetgever gediende belangen onvoldoende worden beschermd. Het moet er dus toe doen wat de overheid na laat te doen. Als de overheid optreedt, kan degene die meent getroffen te zijn, zich altijd teweer stellen. Op zich een verworvenheid van onze democratie, maar het belang ervan weegt soms te zwaar.

We hinken dus op twee gedachten: er moet veel kunnen en we leggen diezelfde overheid weer flink wat beperkingen op. Consequent handelen en handhaving van regels zouden we moeten belonen in plaats van kritiseren. Gedogen zal in een maatschappij die zijn vrijheid koestert, altijd aanwezig moeten blijven. Ik pleit niet voor een kentering van de gedoogcultuur, maar eerder voor een aanscherping, waarbij we ruimte houden voor gedogen waar het de kwaliteit van onze democratie niet aantast.

Dames en Heren,
Dit nieuwe jaar 2002 is het begin van de tweede 25 jaar die onze stad tegemoet gaat. Dat zal de periode worden waarin de geboren en getogen Almeerders aan onze stad verder gaan bouwen. Zij hebben geen last van herinneringen aan de plaats waar ze vroeger woonden. Voor hen moet Almere een stad met toekomst zijn. Allen die in dit huis werken stellen er een eer in zich voor de stad in te zetten. Zij rekenen ook op Uw steun daarbij.

TERUG